Hoe lang duurt een archeologisch traject doorgaans?

Eén van de meest gestelde vragen bij opdrachtgevers die voor het eerst met archeologie te maken krijgen: hoelang gaat dit duren? Het eerlijke antwoord: dat hangt ervan af. Maar dat betekent niet dat je in het duister tast. Elk archeologisch traject bestaat uit duidelijke fasen met een eigen doorlooptijd en hoe beter je die kent, hoe realistischer je planning.

Fase 1: Bureauonderzoek

De eerste stap is een bureauonderzoek. Een erkend archeoloog bestudeert bestaande bronnen, historische kaarten en databanken om in te schatten wat er archeologisch te verwachten valt op jouw terrein.

Doorlooptijd: Een bureauonderzoek is doorgaans een kwestie van enkele dagen. Maar er zit een belangrijke voorwaarde aan vast: de plannen van je project moeten definitief zijn. De archeoloog kan pas een goede inschatting maken van de impact op de bodem als duidelijk is wát er precies gebouwd wordt en wáár.

Wat na het bureauonderzoek? De kans is groot dat het archeologisch traject beperkt blijft tot een louter administratief dossier. Uit de cijfers van de Vlaamse overheid blijkt dat bijna 40% van de opgestarte archeologische trajecten beperkt blijft tot een bureauonderzoek en de opmaak van de archeologienota.

De afgewerkte archeologienota wordt ingediend bij de bevoegde overheid, dat kan het Agentschap Onroerend Erfgoed zijn of een lokale overheid. Die heeft vijftien kalenderdagen om de archeologienota te beoordelen. Drie uitkomsten zijn mogelijk: een aktename, een aktename met voorwaarden of een weigering. Bij een weigering wordt het rapport meestal aangepast en opnieuw ingediend.

Fase 2: Vooronderzoek zonder ingreep in de bodem (ZIB)

In sommige gevallen adviseert de archeoloog om het bureauonderzoek aan te vullen met een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem. Denk aan landschappelijke boringen, geofysisch onderzoek of veldkartering. Dit zijn methoden die de bodem niet verstoren, maar wél een veel scherper beeld geven van wat er onder het maaiveld te verwachten valt.

Doorlooptijd: Ook hier spreek je meestal over enkele dagen.

Tip: Vooral het landschappelijk booronderzoek wordt frequent uitgevoerd en het is in dat geval vaak verstandig om dit vooronderzoek mee te nemen in de archeologienota, in plaats van het uit te stellen naar een later moment. Want het voordeel is dat je archeologienota véél concreter wordt. Je advies is immers niet langer gebaseerd op enkel het bureauonderzoek, maar ook op een eerste terreintoets. Zones waar de bodem verstoord of afgegraven blijkt, kunnen zo in deze fase al uitgesloten worden van eventueel verder onderzoek. Omgekeerd maakt het booronderzoek het ook mogelijk om eventueel verder vooronderzoek, zoals proefsleuven, gerichter en beperkter in te zetten. Dat kan dan weer leiden tot een veel efficiënter archeologisch traject, zowel qua doorlooptijd als qua kosten.

Fase 3. Vooronderzoek met ingreep in de bodem (MIB)

Dit is in de praktijk het meest voorkomende vooronderzoek. Vooronderzoek met ingreep in de bodem omvat methoden die de bodem wél verstoren: archeologische boringen, proefputten en proefsleuven. Archeologische boringen komen vooral voor op terreinen met een ongerepte bodem. Proefsleuven zijn de meest gangbare methode en vormen eigenlijk het standaardtraject.

Doorlooptijd: Proefsleuven gaan sneller dan je denkt. Een terrein van een kleine hectare in buitengebied kan op een dag onderzocht worden. Reken dan nog enkele dagen voor de vondstverwerking en de opmaak van het rapport. Ook een archeologisch booronderzoek gaat meestal vlot, maar het is moeilijk om hier een doorlooptijd te geven aangezien deze boringen in aantal variëren tussen ruwweg een dozijn tot enkele honderden of meer. Werken in stadskern met proefputten brengt doorgaans dan ook weer extra complexiteit met zich mee.

Tijdswinst in het vooronderzoek met ingreep in de bodem zit vooral in het projectmatige aspect als er meerdere fases onderzoek noodzakelijk zijn, bv. eerst verkennende archeologische boringen, gevolgd door waarderende archeologische boringen, gevolgd door proefputten ifv steentijd, gevolgd door proefsleuven. Dan is het écht kwestie om nauw op te volgen en kort op de bal te spelen.

Het uitgesteld traject: waarom bijna iedereen het zo doet

Wettelijk gezien is het de bedoeling dat de archeologienota het volledige vooronderzoek bevat: bureauonderzoek, vooronderzoek ZIB én vooronderzoek MIB samen in één dossier. In de praktijk gebeurt dat bijna nooit. In 2024 werden slechts 36 van de 2.508 archeologienota's ingediend mét het volledige vooronderzoek erin verwerkt. Dat is amper 1,4% van het totale aantal dossiers.

Waarom? Omdat het volledige traject een extra drempel bevat. Om het vooronderzoek met ingreep in de bodem te mogen uitvoeren, moet je eerst een apart rapport indienen bij de bevoegde overheid en opnieuw vijftien dagen wachten op toestemming. Die wachttijd is even lang als de aktename van de archeologienota zelf. In de praktijk is het dus sneller en efficiënter om de archeologienota op basis van het bureauonderzoek in te dienen, de aktename af te wachten en het vooronderzoek MIB daarna uit te voeren.

Een archeologienota waarin een advies tot de uitvoering van een vooronderzoek is opgenomen noemen we in de sector een ‘uitgesteld traject’. Het voordeel: je kunt je vergunningsaanvraag indienen zodra de archeologienota in akte is genomen.

Fase 4. Opgraving

In een beperkt aantal gevallen leidt het vooronderzoek tot de conclusie dat een opgraving noodzakelijk is. Dit is de meest ingrijpende fase, zowel qua doorlooptijd als qua impact op je bouwplanning. Er zijn verschillende types: een vlakdekkende opgraving, stadskernonderzoek of steentijdonderzoek, elk met hun eigen aanpak en tijdsduur.

Doorlooptijd: Een opgraving kan variëren van enkele dagen tot meerdere maanden, afhankelijk van de oppervlakte, de diepte en de complexiteit van wat er gevonden wordt. Volgens de cijfers van de Vlaamse overheid bedraagt de mediaan 12 werkdagen veldwerk. Bij driekwart van de opgravingen is het veldwerk afgerond binnen de maand.

Belangrijk: Een opgraving mag je pas starten na het verkrijgen van je vergunning. Daar moet je dus rekening mee houden in je bouwplanning. De uitwerking achteraf hoeft dat niet te doen. Zodra het veldwerk is afgerond en het terrein is vrijgegeven, kan je in principe verder bouwen.

Fase 5. Eindverslag

Na afronding van het veldwerk, of dat nu vooronderzoek of opgraving betreft, volgt de uitwerking van de resultaten. Bij een opgraving is er een deadline opgelegd door de overheid. De archeoloog heeft twee maanden voor een archeologierapport en twee jaar voor een eindverslag.

Deze fase loopt parallel aan je bouwwerken en heeft in principe geen impact meer op je bouwplanning. Het is wel de fase waarin de wetenschappelijke kennis wordt vastgelegd en waarin het onderzoek dat je als opdrachtgever hebt gefinancierd zijn maatschappelijke waarde krijgt.

Wat beïnvloedt de doorlooptijd?

Er zijn factoren die je als opdrachtgever niet in de hand hebt: de complexiteit van de bodem, de aard van de vondsten, de beoordelingstermijnen van de bevoegde overheid. Maar er zijn ook factoren waar je wél invloed op hebt.

  • Timing. Start het archeologisch traject zo vroeg mogelijk. Idealiter parallel met je ontwerpfase, niet pas bij de vergunningsaanvraag. En zorg dat je plannen definitief zijn voordat de archeoloog aan het bureauonderzoek begint.

  • Afstemming. Zorg dat je archeoloog en je architect van bij het begin op de hoogte zijn van elkaars planning. Dat voorkomt dat het archeologisch traject en het bouwtraject tegen elkaar inwerken.

  • Keuze van archeoloog. Niet elke archeoloog heeft dezelfde sterktes. Sommige zijn wetenschappelijk sterk, maar niet geweldig in timemanagement. Andere hebben veel weigeringen bij hun ingediende archeologienota’s. Kijk wat belangrijk is voor jouw specifieke project en bespreek het op voorhand.

Conclusie

Een archeologisch traject hoeft je bouwproject niet maanden te vertragen, mits je het op tijd inplant. De grootste vertragingen ontstaan niet door de archeologie zelf, maar door het te laat starten ervan.

Wil je een realistische inschatting van wat archeologie betekent voor de planning van jouw project? Neem dan vrijblijvend contact op.

 

Alle absolute cijfers komen uit het evaluatierapport archeologie 2024 van het Agentschap Onroerend Erfgoed:
Meylemans E., Haneca K., De Ketelaere S., Cornelis L., Cornelissen Y., Cousserier K., Debruyne S, De Decker, S, Demerre I., Depaepe I., Ervynck A., In 't Ven I., Jansen I., Lommelen L., Martens M., Moens J., Van den Hove P., Vanhoutte S., Vermeyen M., Zeebroek, I. 2025: Evaluatie archeologie 2024 Kenniswinst en uitvoering archeologieregelgeving, Onderzoeksrapporten Agentschap Onroerend Erfgoed 359

Vorige
Vorige

Wat als er onverwacht iets gevonden wordt op je bouwwerf?

Volgende
Volgende

Een archeologienota beoordelen zonder archeoloog te zijn. Hoe speel je dat klaar?